vrijdag 20 maart 2015

WIM VAN DER BURGT op de GREBBEBERG, 10 mei 1940



IBIS ET REDIBIS   “ Gij zult gaan en gij zult wederkeren ”  is de spreuk op de plaquette achter in de St. Willibrorduskerk van Mill.

Onder de oorlog 1940/45 liet pastoor Rath  dit gedenkteken plaatsen  uit dankbaarheid, dat alle weggevoerde  parochianen uit de kampen in Duitsland waren teruggekomen.  Niet alleen de burgers, die rond 10 mei  1940 door de nazi’s waren weggevoerd; ook de militairen, de dienstplichtige soldaten waren heelhuids weer thuis.

Bij Wim van der Burgt had het wel even langer geduurd. Terwijl al direct na de capitulatie velen enkele dagen later thuis waren en de krijgsgevangenschap hooguit 14 dagen duurde,  bleef Wim van der Burgt maar liefst 9 weken weg.  9 Weken, meer dan 2 maanden,  zonder dat de familie iets van hem hoorde.

Wim van der Burgt als
dienstplichtig militair in
de mobilisatie van 1939/40
“Ze hebben sienen trouwring gevonden”  Zo kwamen de geruchten op gang. Wim van der Burgt was nog steeds niet teruggekeerd uit  een krijgsgevangenkamp en waar hij zat wist niemand.  Wim was door de Duitsers na de slag op de Grebbenberg afgevoerd.

Hij had moeten vechten tegen een overmachtige vijand, die banger was van de wilde dieren door Ouerhands Dierenpark  losgelaten dan voor het Nederlands leger (werd gezegd !)

Voor Dina van der Burgt - Habraken was dat geen bewijs, dat Wim nog leefde. Wim droeg geen trouwring. Zijn strijdmakker Bert Berends was allang thuis,  zat toevallig in een andere loopgraaf. Wim had pech, hij was met  een  ander stel soldaten, diep Duitsland ingevoerd, maar hij was gelukkig niet de enige dienstplichtige, die dit overkwam. Zijn vrouw Dina was moedig, maar ze stond er wel alleen voor met haar kinderen.

Het peloton van Wim van der Burgt
in 1940 (boven 4e van rechts)
Ondertussen zat Wim niet in een Colditz kamp, maar werkte bij een boer aan de Poolse grens. Proberen te vluchten uit een Colditz-krijgsgevangenkamp  betekende de dood. Bij een nazi-boer werken en de luierik uithangen was hetzelfde. Je kreeg bijna niet te eten maar je had ook geen enkele kans om weg te komen,  geen enkele kans. Na 9 weken werden ze plotseling vrijgelaten.  Nauwelijks in Nederland belde Wim vanuit Nijmegen op. Hij was vrij.  In Oldenzaal was hij de grens overgekomen. Met zijn motor heeft Tien Verbruggen hem opgehaald !

IBIS ET REDIBIS, NUNQUAM PERIBIS IN BELLO  “Gij zult gaan en gij zult wederkeren, nooit zult gij ten ondergaan in oorlog”

Ondertussen bereidde Pastoor Rath een herinnering voor in de vorm van een plaquette achter in de kerk. Uit Dankbaarheid; Jo Uiterwaal uit Utrecht  was de vormgever  en modelleerde de tekst.

Mill/Wijchen,  19 maart 2015.
Henk van de Weem

Kamergenoten van Wim van der Burgt tijdens de mobilisatie van 1939/40 (1e rij links naas de kok in het wit)

donderdag 2 mei 2013

Die 5 dagen in mei in 1940 in Mill (deel 2 vervolg)

 
….. mijn eerste artikel ging over 10 mei 1940,  dat was op een vrijdag.  Vrijdagmiddag en zaterdags waren de Duitsers door de stellingen gebroken en gingen in marscolonne richting Vesting Holland.   Duizenden soldaten en materieel passeerden De Meeren, Langenboom, Zeeland, op naar de Bosschebaan.
INTERMEZZO
Soldaat Arie Bontenbal, ingekwartierd op het hoogveld,  stond op 10 mei met zijn eenheid op wacht op een plek tussen Haps en Rijkevoort. Toen hij de trein en veel geschut hoorde trok hij zich ijlings terug op de stellingen, waar hij oorspronkelijk vandaan kwam : de loopgraven in de buurt van de Oude Kapel.  Voordat de brug en andere toegangen over het defentiekanaal waren geblokkeerd kon hij nog net overkomen.
Vanuit de stellingen zag hij overal vijanden met dreigende gezichten onder vreselijke helmen om zich heen. Zelf had hij nooit veel waarde gehecht aan  een aanval van de Duitsers. Maar nu wist hij dat het menens was !  Hij en ook zijn makker naast hem schoten op alles, waarvan ze dachten, dat het de vijand was. Tegen zijn maat zei hij:  “we moeten ons identiteit-boekje nog invullen”.   Hij stiet hem aan, maar het hoefde al niet meer, zijn makker was al gesneuveld.  Hen werd medegedeeld zo langzaam mogelijk via de stellingen terug te trekken. Dat was al de order vanaf vrijdagmiddag na het bombardement van de Duitse luchtmacht.
Alleen de jongens van Tongelaar zijn helaas niet gewaarschuwd en zijn in hun kazemat door de vijand verrast. Een handgranaat maakte een eind aan hun leven. Een soldaat kreeg nog de kans, voordat hij stierf, op een kaart uit het kaartspel te schrijven “ik ben katholiek”.
Terwijl  die grosze armee in marscolonne voorbij trok, hielden Bontebal en zijn eenheid zich schuil  in een van de bosjes aan de Langenboomseweg.  Uit die angstige situatie hebben zij zich de volgende dag,  zaterdag 11 mei, zelf bevrijd door zich over te geven. Met een handdoek, gebonden aan het geweer, liep Arie Bontenbal de Duitsers tegemoet.
Prompt werden ze bij Hannes Geurts tegen een muur geplaatst , er werd een executiepeloton  geformeerd.  De moffen wilden hen zonder pardon neerschieten, omdat ze meenden in de nacht door partizanen te zijn beschoten. Gelukkig kwam een officier tussenbeiden en gelaste de executie af. Als krijgsgevangenen zijn ze toen naar de kerk gebracht, waar nog meer mensen waren opgesloten. Vandaar uit ging het op pinksterzondag lopend naar Duitsland. In de kerk zaten ook een aantal particulieren, die geweigerd hadden naar Wanroy te vluchten.
VERSTEKELINGEN
O.a. Harrie van Vorst en smid Jan van Rossum bleven in Mill. Ze hielden zich verborgen in de kelder onder de smederij aan de Karstraat. Angstige uren; zeker toen de Duitsers ook daar controleerden. 2 Stapels fietsbanden bleken later hun redding!
Janus en Piet Ermers en ook Thijs Arts werden vrijdag opgespoord,  naar de kerk gebracht en ook zij gingen in looppas naar Duitsland.
In die 2 dagen, vertelt Eppo Brongers zijn er in Nederland MEER mensen gesneuveld dan in dezelfde tijd tijdens de invasie in de Normandië. Alleen al in Mill, overleden tengevolge van het oorlogsgeweld in de eerste dagen 16 burgers 31 militairen en misschien wel 260 Duitsers. Volgens ooggetuigen lagen aan de hoek Domeinenstraat – Langenboomseweg stapels lijken. De afvoer door de intendance kwam na de aanval  direct opgang. Daarvoor bestond een aparte organisatie om het moreel in stand te houden en zo min mogelijk opzien te baren.

WANROY
Zaterdag 11 mei 1940.  Mill werd nog niet direct vrijgegeven. “Heel Mill staat in brand” riepen sommigen, die stiekem per fiets langs sluipwegen waren gaan kijken. Natuurlijk maakte de Houtfabriek van Van Hout veel rook en ook de 58 boerderijen, huizen en nasmeulende restanten in de Meeren  gaven een trieste aanblik.

Bij  Jan Nabuurs in Wanroy, mochten wij helpen met veevoeren.  Ik kan me nog herinneren, dat we spelletjes deden om  de boerderij, dat heten toen  ‘buisje vertrekken’ . Verstoppertje spelen. Tiny van Oomjanus had een knopspeldje gevonden op stal en deed met Bert, zijn broer, duum-of-pink.  Harrie van Oomjan werd vanuit Berk en Bos op informatie uitgestuurd. Cor mocht mee, achterop de fiets. Tenslotte was zijn zusje onze hulp bij Tantedoor. En Oomjan en Tantedrieka wilden graag weten hoe de vlag er bij Jan Nabuurs bijhing. Bij Jan Nabuurs was in huis een zoon Egbert, een priesterstudent, die in mei zou worden gewijd. Hij was op 10 mei thuis met vakantie. Dat jaar is die wijding niet doorgegaan. Ik heb later vernomen, dat deze geestelijke Nabuurs  in Bergeijk als pastoor goed heeft voldaan.
PINKSTERZONDAG
……. mochten we gelukkig weer vertrekken, naar huis. Hult & bult werden op de platte wagen van Toon van Vorst geladen; ook wij allemaal en ook …… Had de Klein. Ik kan me nog de reuk  van de kruitdampen herinneren. Op dit moment nog ruik ik  d’n-tiende-mei,  als ik bij de schietbaan in Mill voorbij kom!
Jan van der Burgt, buurjongen van 6 jaar riep tegen elke soldaat : rotmof en solimaleikum. Tot Toon van Vorst na vele waarschuwingen hem om de oren sloeg. Vanaf dat moment zette Jan het op een brullen, (huilen!).  Toon stopte niet, de tocht verliep in gezwinde pas, ook als iemand riep  ‘ik moet klateren ‘ zei Toon “pies-mar-in-oe-boks” .

Ons huis was er nog, veel kogelgaten, de deur stond  nog open, mijn blokkendoos lag  op tafel en de stoel onder de boom kon weer naar binnen. Er was tijdens onze afwezigheid niemand in huis geweest ! Alleen ons hondje, Juulleke, is nooit teruggekomen. Oorlogsslachtoffer!
TERUGKEER
Na verloop van tijd kwamen alle mensen uit de parochie Mill, weggevoerde burgers en krijgsgevangenen ongedeerd terug. Veel trieste verhalen, armoede en honger ten spijt !
Hoewel het vijandelijk gezag het verbood, liet het kerkbestuur in de kerk een herinnerings-plaquette aanbrengen  REDIS et REDIBUS  ……  GIJ ZULT GAAN EN GIJ ZULT WEDERKEREN, NOOIT ZULT GIJ IN OORLOG OMKOMEN !  In die tijd is er veel gebeden.
Mill/wijchen,  22  april 2013
henk van de weem
 

maandag 15 april 2013

DIE 5 DAGEN IN MEI 1940 (10 tot 15 mei 1940)


13/4-2013


…... een TV-reeks, die 2de paasdag begon als 1ste van 5 afleveringen. Ik wil proberen deze te volgen. Mijn ervaringen en mijn mijmeringen beschrijf ik hieronder. Ik was 5 jaar op 10 mei 1940.
---- ( ben benieuwd of Mill ook aan bod komt ……? )

INLEIDING
….. onze Pa had samen met zijn broer, Oomjanus, een aannemers en timmerbedrijf, gevestigd aan de hoogveldscheweg.  Waarom ik zo duidelijk, de hoogveldscheweg noem, heeft de volgende oorzaak.

Op de evacuatie-regels door de overheid opgesteld, stond Piet van de Weem vermeld, behalve als leider van de hoogveld-aanwonenden ook als verantwoordelijk voor de evacuatie van het Liefdesgesticht. Dat was het klooster met ca. 15 nonnen, een aantal gehandicapten en een aantal ouden van dagen. Nou was mijn Pa geen onbekende voor de zusters, die buiten het klooster ook nog 2 scholen bedienden. Voor de timmerman was daarvoor altijd wel ergens werk. De zusters beschouwden hem als ‘eerst aanwezend’ hulpverlener !

EVACUATIE
         Het zal aan de graad van betrouwbaarheid hebben gelegen. Maar ‘goed over nagedacht’ had de opperste leiding van een mogelijke op handen zijnde evacuatie, daarover in elk geval niet. Zeker niet bij een snelle reactie !
Aldus fietste Pa op die 10de mei, nadat hij de hoogveld-gezinnen had aangezegd zich gereed te maken voor de vlucht naar Wanroy, richting Verstraatenlaan naar het Klooster. Bij grossier Verbruggen  vlogen de kogels door de oranjeboomstraat. De Duitsers hadden al vanaf de kerktoren een vaste positie ingenomen en schoten met een mitrailleur op alles wat zich in de straten bewoog.
Als ik die muur bij Dr. Arntz maar kan bereiken, dacht Pa, dan heb ik dekking en kan ik ongeziens bij het oudemannenhuis komen. Gelukkig redde Dr.Arntz de penibele situatie van Piet van de Weem. Hij riep door een openstaand raam:  “Waar ga je naar toe, Van de Weem ?”  Ik moet naar het klooster, de zusters gaan helpen. “Die zijn juist vertrokken met de ouden van dagen !  De brandweer heeft ze naar Wanroy gebracht “ . Pak van Pa’s hart ! Telefonisch verkeer bestond in die spannende uren alleen tussen, gemeente (evacuatie-leider wethouder A.W.van Hout ), pastoor Rath,  Dr.Arntz en burgemeester Van Nispen ( aan de overzijde van het defensiekanaal ).

HULP
        Ondertussen was ook Marie van Oombert uit de schoolstraat via d’n huppelpad naar ons  toe gekomen, vooral om te helpen. “Tantedora, ons Moeder, zal het wel druk hebben mi-al-die-klenkiender” zal Tantenes wel gezegd hebben !

Gepakt en gezakt vertrok tegen elven het hoogveld gezamenlijk.  Wel had Pa nog even zijn buitenmodels uniform van de achterste zolder gehaald en in de beerput laten zakken. De Duitsers moesten eens denken, dat hij gedeserteerd was.
Van die tocht kan ik me nog herinneren, dat in de Koksebeek 3 militairen stonden, dat er geschoten werd en dat de middelste omviel. Ik weet niet meer of het Hollandse, dan wel Duitse soldaten waren. Ons Moeder was met de tweeling in een kinderwagen, ons Mientje rechtop zittend, Annie en ik elk een stang vasthoudend lopend naar Wanroy.  De jongens van Oomjanus trokken de handkar met hult en bult. Onze Pa en Drien van Oomjan, onze hulp, gingen met de fiets;  ook Tantekee reed mee, allemaal pummelke achterop. Ze liepen meer naast de fiets, dan dat ze trapten;  overal vandaan werd geschoten. De vlucht naar Wanroy was een bange barre tocht.

Net voor Wanroy explodeerde de banden rond de bomen.  Alle naast de Millscheweg staande bomen kwamen dwars te liggen. Opdracht van het Militair gezag, ons leger! We werden gedwongen via een karrenspoor onze weg richting Wanroy te vervolgen.

Even voor het autobusbedrijf van Pijnappels brak, tot overmaat van ramp, ook nog een burrie van het handwagentje.  Hult en bult werden overgeladen op de paard & wagen van Toon van Vorst. Die was al druk bezet en bevolkt met kinderen en de noodgoederen van verschillende hoogveldse families en …. met Had de Klein, die met leunstoel (proast!) compleet , zoals ze in huis zat, op de platte wagen was getild.

VLUCHTOORD WANROY
       Bij cafe Centen, Koos Centen was een collega-aannemer, waar onze Pa een onderkomen meende te vinden was het een drukte van belang. Ik herinner me nog, dat onze tweeling op een dekentje onder het biljart lag te krijsen en daar ook gevoed werden. Voor de Van de Weem’s  was in deze herberg geen plek. Gelukkig kende mijn Pa veel mensen en veel boerderijen in de omgeving. Daarom klopte hij aan bij Jan Nabuurs aan de peelstraat. Daar konden wij terecht , op stal. Ons Moeder kreeg een slaapkamertje (opkamer voor Va & Mo en 3 kleine kindertjes). Oomjan met de gezinnen van de royendijk was al eerder gearriveerd, maar verkoos een verblijf op Berk & Bos, een boerderij, een eindje verderop . In de schuur van de boerderij zat de familie van Sambeek  van het molengat. Het was een drukte van jewelste.  Ondertussen ging de oorlog verder. De moffen konden zomaar niet door de stellingen van onze militairen komen en ook de gekantelde pantsertrein lag in de weg, reserve aanvoer was niet mogelijk. Er kwam vliegtuiggeweld aan te pas, stuka’s  jankte door de lucht en er vielen bommen op de stellingen, de loopgraven, aan de overzijde van het kanaal.

In Wanroy werden schuilkelders ingericht. Bij Jan Nabuurs hadden wij het makkelijk. Onder een betonnen brug over een droge sloot was een prima oplossing. Als het echt spannend ging worden konden we daaronder met zijn allen veilig onze beschutting vinden.

( 2de aflevering volgt )





bijlage: kaartje met aangegeven route hoogveld-Mill  > peelstraat- Wanroy



henk van de weem
mill/wijchen, 13/4-13


 

donderdag 1 maart 2012

MILL EN ZIJN HEILIGE WILLIBRORDUS 3.)



De bestuurders over onze gewesten, tijdens de ‘periode Willibrordus’ waren de Pepijnen van Landen en Karel van Herstal. Ons Land van Cuijk wordt in de geschiedschrijving in het boek van Van Heessel *) genoemd : als “hebbende een Heer (..)” We schijven dan de 8ste eeuw. O.a. Pepijn van Herstal (van Landen) was een van die mannen, die altijd en graag ruzie maakte met Radboud, koning van de Friezen. Deze volken verbleven langs de Noordzeekust vanaf Duitsland tot Noord-Frankrijk. De Friezen waren nog heidenen, barbaren, zeiden de tot het Christendom bekeerde FRANKEN onder Pepijn. Die moesten veroverd worden. Dat hij Willibrord daar naar toestuurde was voor Pepijn wellicht een politieke zaak.

Mogelijk heeft hij de Paus zelfs vooraf ingelicht ! Voor Pepijn was er alles aan gelegen om die Friezen minder moord- , wraak- en roofzuchtig te maken ! Waren ze eenmaal bekeerd tot hetzelfde geloof, dan stelden zij zich gelijk onder hetzelfde bestuur en was veroveren een fluitje-van-een-cent.

Pepijn contra
RadboudBovenstaande foto is een afbeelding van het DOOPSEL van Radboud, koning van de Friezen. Een van de beroemde legenden, die verhaalt, dat RADBOUD zich zomaar niet gewonnen geeft. Het is geborduurd op en deel van een altaarkleed uit 1510 en komt uit het boek Langs Willibrods Wegen, in 1989 uitgegeven door Museum Van Gerwen-Lemmens Valkenswaard. De oude Willem (+ 1994) kon daar zo heerlijk over vertellen. Hoe Radboud alleen zijn tenen in het doopwater houdt en dan aan Willibrord vraagt, of ook zijn voorvaderen in de hemel zijn. Die waren nl. niet gedoopt. Dus zegt Willibrord: “ Die zijn niet in de hemel …”.
Sommigen beweren, dat Willibrord ondiplomatiek gezegd zou hebben, dat ze in de hel zaten.

Waarop Radboud zich terugtrekt uit het doopwater en opmerkt; “ Ik ga toch liever daar, waar mijn voorvaderen zijn, dan naar de hemel bij jullie armoedige lieden, die ik niet ken !” **)

Willibrord had het niet makkelijk in zijn contacten met de koningen. Hij stelde zich vaak kwetsbaar op. Daarom moest hij nogal eens vluchten ! Hij verbleef dan meestal in het Zuiden, rond de Peel, in Susteren of Echternach. Ook hij kende blijkbaar De Oudste Weg Naar De Peel.

Niet alleen Radboud stribbelde tegen, ook de Pepijnen konden maar moeilijk hun Christengedrag op het juiste niveau houden. Hoewel ze veel HEILIGEN in de familie hadden, moest de bisschop nogal eens corrigerend optreden. Lambertus, de bisschop van Maastricht berispte eens een van de Pepijnen en moest dit later met de dood bekopen. Dat neemt niet weg en dat kon ook allemaal in die tijd, dat Hubertus, bekeerling en neef van Pepijn toch weer bisschop wordt van Maastricht en later van Luijk.

Foute situatie ?
Allemaal verhalen die een eigen leven zijn gaan leiden. Zo ook het verhaal van De la Hay, de archivaris van Baarle Nassau & Hertog. De la Hay beweert ijskoud, dat Willibrordus nooit in De Lage landen is geweest, maar zich altijd heeft opgehouden in Noord-Frankrijk en Zuid-België. Hij vergelijkt dit met een verschijnsel in onze regio, waar de Heren van Cuijk in een dag zowel Katwijk, Heeswijk en Vianen konden aandoen. In de 12de eeuw waren dat al gehuchten, die voorkwamen in de omgeving van Cuijk, terwijl men in den lande dacht aan Katwijk aan Zee, Vianen bij Utrecht en Heeswijk in de Meierij. Volgens De la Hay zou Trajectum (Utrecht) Tournehem zijn, gelegen bij Calais en de Monden van de Rhenus (Rijn) lagen ook in Noord-Frankrijk. Ook verklaart hij dat Utrecht pas na 800 is ontstaan !

In de Gelderlander van halfweg 1995 stond te lezen, dat de doopbelofte, die Willibrord in onze taal gebruikte, geschreven is in de 8ste eeuw in onvervalst Saksisch dialect : “ Ec Gelobo in Got, Alemahtigan Fadear (ik geloof in God almachtige Vader) Moge het zo zijn !!(wordt vervolgd).

Henk van de Weem(chroniqueur)

bronnen :Albert De la Hay : Dorestadum - Waderlo : 1977*) J.B. van Heessel: Vrije en Soevereine Heerlijkheid 1978**) Wampach : Sankt Willibrord 1953publicatie De Koerier 29/11-95

maandag 8 augustus 2011

HOE KOMT MILL AAN ZIJN WILLIBRORDUS ?






We hebben bovenstaand gezien, dat er veel percelen grond in Mill toebehoorden aan de Abdij van Echternach. En dat Willibrordus al rond 700 deze eigendommen als Pussela noteerde in zijn calendarium *).


Maar waar is het begonnen ?


Ooit (+/- 1995) was er in het Catreinenconvent in Utrecht een tentoonstelling met als titel : Het BEGIN VAN NEDERLAND anno 695.


De eerste berichten uit die tijd zijn schaars. Zij komen niet van Willibrord maar van de Heilige Lambertus, die enige tijd in onze omstreken heeft gemissioneerd. Als hij anno 688 bisschop wordt van Maastricht, bekent hij eerlijk, dat zijn kerstening van de bewoners van dat deel van Taxandria, gelegen rond de woeste Peel, geen succes is geweest.


Letterlijk schrijft hij: “ een woeste streek met struikgewassen en moerassen bedekt en door een barbaarse bevolking bewoond, niet in dorpen maar in verspreide schamele gehuchten …. “


Dit klinkt nogal negatief, maar men moet er wel bij bedenken, dat ‘barbaren’ vroeger iedereen werd genoemd, die nog heiden was. Daarbij komt nog, dat Maastricht in die dagen al een geciviliseerde stad was, een Civitas Antica **) .


Schamele gehuchten ….. treft ook Willibrord aan, als hij gebruikmakend van de oude Romeinse heirbaan van Kessel over Blerick naar Boxmeer en Cuijk trekt. Het is bekend, dat Willibrordus een bijzondere verering had voor de H.Petrus, prins van de apostelen, en de H.Martinus, de soldaten-heilige. Daarom wijdt hij voornamelijk in de nederzettingen, waar hij verblijf houdt altaren toe aan deze heiligen. In het castellum Ceuclum (Cuijk) neemt hij daarvoor hoogstwaarschijnlijk het altaar binnen de vesting, waar normaal de bevolking haar goden vereerde en offers bracht. Op die offerplaatsen liet hij meestal ook de kerk bouwen. De pas ontdekte Romeinse brug heeft duidelijk gemaakt, dat de versterkte veste direct verbinding gaf met de overzijde van de Maas. De Martinuskerk heeft dus altijd aan de Maas gestaan en niet zoals men graag beweert midden in de nederzetting zodat een gedeelte van de behuizing van Cuijk ooit door de Maas is weggespoeld.


In zijn gevolg had Willibrordus vele gezellen, waaronder, naar men zegt, zieners, genezers en wichelroedelopers. Altijd liet hij enkele vertrouwelingen achter. Vanuit Boxmeer of Cuijk hebben deze later in het achterliggend gebied zelf kerken gesticht. Zo zal het zijn voorgekomen, dat in Possela oftewel Mill een kerk aan Willibrordus is toegewijd. Het is opvallend, dat daar waar een Willibrordus-heiligdom bestaat, er in de buurt zich een St.Petruskerk (Boxmeer) en een St.Martinuskerk (Cuijk) bevinden. Dat is zo bij Diessen, Venray en Millingen in de Duffelt. Het oudst bekende wapen van de Gemeente Mill is van St.Willibrord met staf, kerk en waterput. Hij had water nodig om te dopen, maar zorgde ook voor goed drinkwater, een eerste vereiste rond de gehuchten in de Peel. Hier werd vaak bruin roestig en zelfs brak water door de bevolking gebruikt, bij gebrek aan beter. Dit is waarschijnlijk de hoofdoorzaak geweest van veel kindersterften. Als vrijwel de enige plaats in het bisdom kende de parochie Mill de kinderzegening op Willibrordus-dag 7 novenber.



Bovenstaande afbeelding is het logo van de Willibrordvereniging in ons bisdom. Willibrotd staat hier afgebeeld als aartsbisschop met de opening van zijn kromstaf naar buiten gekeerd. D.w.z. dat hem buiten zijn eigen diocees, bisschoppelijke macht is gegeven. Met de linkerhand maakt hij duidelijk een bezwerend gebaar. De Willibrordvereniging is een oecumenische club, waarin zowel protestanten als katholieken samen discussiëren. Eenzelfde gewaad met identieke kruisjes droeg Paus Woytilla bij de wijding van het jongste Willibrord-altaar in de kerk van de Friezen in Rome, enkele jaren geleden. Wie dat op TV gezien hebben zullen moeten beamen, dat het een zeer indrukwekkende plechtigheid was, grotendeels door de Paus in het Nederlands verwoord. (HW) (wordt vervolgd)

*) calendarium = het testament St.Willibrord, door hemzelf opgesteld in Echternach.
**) dit is een citaat uit het boek “UDEN” van J.B.van Heesel (1976).


Henk van de Weem
(chroniqueur)
Mill / Wijchen , 15/11-’95 - 1/8-011


donderdag 28 juli 2011

HOE KOMT Mill AAN ZIJN WILLIBRORDUS ?







Beetje historie ……. op gevaar af te worden weggehoond, willen we het toch hebben over St.Willibrord.




Toen Marietje Kremers nog raadslid was, brak ze in 1990 op de valreep van een van haar laatste vergaderingen een lans voor deze patroonheilige van zoveel verenigingen, instellingen en instanties in Mill. 1990 evenals 1995 was een Willibrordusjaar. Alle gemeenten in Nederland, die met deze patroon te maken hebben zijn door een commissie uit Utrecht aangeschreven. Naar aanleiding hiervan zijn destijds en-petit-comite bestuurders van een aantal instanties en verenigingen, w.o. Myllesheeem bijeengeweest. Helaas zijn toen alle afspraken, door onbekende oorzaak in het ongerede geraakt en is het Willibrord-jaar zo goed als onopgemerkt verstreken.




Als eerste had mevrouw Wil Rooyakkers van de Willibrord-apotheek reeds haar medewerking aan bepaalde activiteiten toegezegd.



Hoe komt Mill aan zijn Willibrordus ?
Wij schrijven het jaar 1227, ongeveer 100 jaar na de stichting van de Abdij Marienweerd (1128) en 100 jaar voor de oprichting van de Parochie Mill (anno 1326). Uit het jaar 1227 stamt een belangrijk document, waarvan een afschrift is vervat in het Cartularium , het archief van Marienweerd. Hierin worden percelen grond aangegeven, die in Mill liggen en toebehoren aan de Abdij van Echternach in Luxemburg. Dit is de Abdij, die Willibrord eind 7de eeuw stichtte en waar hij na zijn dood is begraven. Waarschijnlijk heeft Willibrord deze landgoederen gekregen, toen hij rond 700 in onze regio missioneerde. Feit is, dat hij in zijn calendarium, het goed Pussela noemt bij andere goederen in onze regio. Pussela zou de verbastering kunnen zijn van de Hof Pisla in Mill, waar in 1156 de paters van Marienweerd toestemming kregen zich te vestigen, de heilige oliën te wijden en de overledenen te mogen begraven.



De acte van 1227 is belangrijk, omdat dan pas de goederen officieel worden overgedragen. Abt Bartholomeus van Echternach bevestigt hierin de overdracht aan Marienweerd, onder voorbehoud van het vruchtgebruik van een zekere Alhardus Albertzoon. Hij noemt verder als getuigen: de Heer van Batenburg en Theodorus, Graaf van Megen, voorts de priesters, Walter, deken van Cuijk en diens broeder Alexander. En of dat nog niet voldoende is, maakt hij ook nog melding van de namen van de paters Bertram & Rudolf van de Abdij Rinderen (bij Kleef Dld.), die in die tijd de administratie, inning van cijnzen enz… voor Echternach verzorgden. Op bijgaande foto ziet U het beeld van St. Willibrord, dat pastoor Maas (+1994) in 1958 kocht uit de parochiebijdragen bij gelegenheid van zijn 25-jarig priesterjubileum. (wordt vervolgd)



Henk van de Weem



bronnen:
- cartularium Marienweerd Fremery (1890)
- dr. Bas van Bavel: goederenbezit Marienweerd (1993)
-
publicaties Marienweerd: Henk van de Weem (1995)